Participatie samenleving of coöperatiemaatschappij. Een zinnige aanvulling.

Als je op dit moment de krant leest dan wordt je bedolven onder studies die er op wijzen dat mantelzorgers structureel overbelast zijn (1. SCP) dat de overheid een ongehoord sterk emotioneel appél op haar burgers doet zonder dat er een democratisch debat gevoerd wordt over de toekomst van de verzorgingsstaat (2. Affectieve burger) en dat buren beperkte hulp willen geven aan buurtgenoten, en zeker niet zo ver gaan dat ze zorgtaken gaan uitvoeren (3. Vreugdenhill). De kanteling in het veld van zorg en welzijn die is ingezet door de overheid roept begrijpelijk weerstand en verzet op. Naast dat er ontwikkelingen gaan de zijn in de maatschappij die vragen om antwoord is er valt er ook wat te kiezen in de richtingen van maatregelen. Als je dan goed kijkt zie je een duidelijke (ideeën) strijd tussen groepen in de samenleving. En uiteindelijk gaat het daarbij ook over macht en geld.

In een studie van het wetenschappelijk bureau van de Christen Unie (4) wordt vanuit een christelijke visie op mens en samenleving een verdieping gegeven aan de huidige debatten over de inzet van burgers, de vormgeving van onderlinge solidariteit en de rol van de overheid, markt en maatschappelijke groepen. De schrijvers geven drie redenen voor hun studie.

Allereerst is de samenleving in verandering door processen van globalisering, individualisering en de opkomst van de netwerksamenleving (nieuwe groepen burgers die zelf aan de slag gaan) dat, aan de ene kant de bureaucratische verzorgingsstaat wordt uitgedaagd  en aan de andere kant het idee van activering van de burgers –  ‘Meer samenleving’ – bevraagd wordt.

Een tweede reden is dat er behoefte is aan een nieuwe positiebepaling van de overheid door het verschijnen van tal van adviesrapporten. De uitspraak in de troonrede 2013 over de participatiesamenleving laat zien dat er behoefte is aan een ander ‘samenleven concept’.

Tenslotte is er reden tot alertheid als het gaat om het begrip participatiesamenleving. Het lijkt op bestaande concepten als ‘dienstbare samenleving’ of ‘zorgzame samenleving’ van respectievelijk de Christenunie en het CDA. Maar er lijken ook neoliberale trekken van individuele zelfredzaamheid en eigen kracht in het ‘idee van participatie’ verstopt te zitten. Ook zou je kunnen zeggen dat het pleidooi van meer participatie sterk gestuurd wordt door bezuiniging van de overheidsfinanciën.

De schrijvers pogen in hun stuk de spade dieper te steken en putten daarbij uit het christelijk gedachtegoed en het daarbij passende mens en maatschappijbeeld. Tegenover zelfredzaamheid wordt het idee van ‘samenredzaamheid’ geplaatst. Het gaat er niet om dat mensen mee doen aan een wereld die voor hen bedacht is, maar dat ze in allerlei maatschappelijke verbanden ( organisaties, ondernemers en overheid) drager zijn van die samenleving. En de tegenstelling tussen verzorgingsstaat en participatiesamenleving wordt beslecht met het idee van een coöperatiemaatschappij. Hiermee wordt uitgedrukt dat en de overheid en organisaties in de samenleving een eigen onderscheiden plek en verantwoordelijkheid hebben en door samenwerking meer bereiken. In een verzorgingsstaat wordt de onderlinge solidariteit tussen mensen geregeld via belastingen. Dit is een indirecte manier. De uitdaging is, nu er grenzen bereikt worden in de betaalbaarheid van die verzorgingsstaat, vormen van directe solidariteit te ontwikkelen.

De CU gaat in op twee foute vooronderstellingen achter het aanlokkelijke idee van meer participatie door burgers.

Allereerst wordt er veel inzet en vitaliteit van burgers verwacht. De  vraag is of dit niet een mythe is. Ze bekritiseren het neo-liberale mensbeeld dat achter het idee van ‘eigen kracht’ schuilt. Mensen zijn sterk, maar zijn soms ook  kwetsbaar en hebben anderen nodig. De mens is de mens een zorg. De mythe van eigen kracht kan betekenen dat mensen overbelast raken, bijvoorbeeld zoals dat aan de hand is bij mantelzorgers. Ook zijn de organisaties in het maatschappelijk middenveld kwetsbaarder geworden dan zeg 30-40 jaar geleden. Door allerlei processen van bureaucratisering en professionalisering zijn organisaties de binding met de achterban en daarmee hun ziel kwijt geraakt. Er is minder gemeenschapsleven en daarmee ook minder sociale veerkracht.

Het tweede idee dat bevraagd wordt is dat de overheid zich meer op afstand zal houden om ruimte te laten aan burgerinitiatieven. Dit ‘loslaten in vertrouwen’ is wel de intentie, maar geen werkelijkheid. De schrijvers spreken over de  tendens van ‘gulzig bestuur’ waarbij burgers, de samenleving als geheel tot instrument van beleidsdoelstellingen wordt gemaakt. In het kort samengevat: De overheid heeft te veel de neiging het leven van mensen te regelen, te veel uit te gaan van gelijkheid en ze denkt te veel vanuit het idee van maakbaarheid, rationeel handelen en waar geen ruimte is voor falen. Mensen willen zich best inzetten, maar willen niet belast zijn met de eisen die gesteld worden. De overheid kan dit doen door aan te sluiten bij hoe mensen zich tegenwoordig organiseren en structureren via dynamische netwerken van burgers die al bestaan.

Welke vooronderstellingen gebruiken de schrijvers en wat is hun hoopvol ideaal? Lees verder.

1. Hulp geboden Een verkenning van de mogelijkheden en grenzen van (meer) informele hulp. SCP rapport. Mirjam de Klerk e.a. 2014.
2. De affectieve burger, hoe de overheid verleidt en verplicht tot zorgzaamheid. Thomas Kampen 2013.
3. Nederland participatieland? De ambitie van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de praktijk in buurten, mantelzorgrelaties en kerken M. Vreugdenhil 2012. 
4. Coöperatie maatschappij. Solidariteit organiseren in de eenentwintigste eeuw. Robert van Putten en Wouter Beekers. Wetenschappelijk bureau Christen Unie. 2014