Wie zichzelf redt krijgt respect, wie afhankelijk is verliest het. De mythe van zelfredzaamheid.

oals premier Den Uyl in de jaren ’70 stelde dat een verantwoordelijke overheid goed voor z’n burgers zorgt, zo spreekt premier Rutte 40 jaar later over de zelfredzaamheid van de Nederlandse  burger en dat leungedrag dient te worden voorkomen. Beide uitspraken zeggen iets over hun tijd en beide premiers proberen met deze uitspraken iets van hun visie en beleid te framen. Dat wil zeggen zo voor te stellen dat hun visie op de werkelijkheid logisch en vanzelfsprekend is.

imagesIn deze tekst kijk ik naar het begrip zelfredzaamheid dat voorkomt in het bekende rijtje:  participatie, eigen kracht, mee doen. Het is niet alleen een sterk ideologisch geladen begrip, maar er zit ook een politiek geladen opvatting over mens zijn in opgesloten dat andere manieren van kijken dreigt te verdringen of uitsluit. Ik gebruik voor mijn verhaal de analyse uit het boek ‘Wie wil er nou niet zelfredzaam  zijn, de mythe van de zelfredzaamheid’ van Richard de Brabander.

1. De wereld waarin we leven.

In een  recent bericht in Trouw werd verslag gedaan naar de voortgang van het door het kabinet in gang gezette beleid van de  participatiemaatschappij. De conclusie van Movisie, die het onderzoek verrichtte was dat het met name mensen uit de hogere klasse zijn, die in staat zijn om zich te organiseren in buurtnetwerken, woon- en zorg coöperaties en dat de minder opgeleide mensen achter blijven. De klassieke verzorgingsstaat verandert dan wel in een samenleving waarin burgers meer zaken zelf moeten regelen, maar het zijn vooral blanke, hoogopgeleide Nederlanders die hier in slagen. Daardoor dreigt volgens Movisie een tweedeling in de maatschappij  te ontstaan.

Over een tweedeling in de maatschappij schrijft ook Kim Putters. ‘We gaan van een samenleving van haves en have-nots naar een samenleving van cans en can-nots. Kreeg je vroeger je raamwerk op een presenteerblaadje aangeboden en had je de gemeenschappelijke zekerheid die daarbij hoorde, nu moet je er zelf chocola van zien te maken. Dat gaat de een prima af, de ander een stuk minder’.

De beoogde participatie leidt tot iets dat niet bedoeld werd. Om dat te begrijpen is Partners civil societyhet volgens mij nodig om kort naar de relatie tussen de overheid en maatschappelijke groepen, burgers en instanties te kijken. Vanuit kerkelijke en sociale initiatieven in de 19de eeuw is het sociaal werk steeds meer geprofessionaliseerd en de financiering er van  via de belastingen georganiseerd. Dit zit in de uitspraak van Den Uyl in de jaren ’70 dat een fatsoenlijke samenleving goed voor zijn burgers zorgt. Vrijwel gelijktijdig waren er ambtenaren die zich af vroegen of als die zorg en welzijn wel betaalbaar zou zijn in de toekomst. In het spel tussen overheid en samenleving is het daarom verklaarbaar dat in de WMO gekeken wordt naar de feitelijke behoeften en mogelijkheden en zijn voorzieningen niet meer een wettelijk recht. Naast deze wetgeving op politiek niveau vindt er ook op ideologisch niveau een verschuiving plaats. De ( affectieve) boodschap die de burgers de laatste jaren meekrijgen is dat iedereen de verantwoordelijkheid voor z’n eigen leven moet nemen en jezelf, samen met anderen zo goed en zo lang mogelijk moet zien te redden. De gemeente Rotterdam koppelt daar ook cijfers aan. 80% van de mensen redt het ook. 15% heeft af en toe steun nodig en voor 5% van de mensen is structureel ondersteuning nodig. Voor hen is een vangnet beschikbaar. Deze nieuwe beleidsinsteek markeert het einde van de periode van de verzorgingsstaat.

2. Vanzelfsprekend zelfredzaam

 

 

wie-wil-er-nu-niet-zelfredzaam-zijnDe Brabander richt zich in zijn boek op de verschuiving van denken over zelfredzaamheid, de manier waarop de overheid hier een rol in speelt en hoe de opkomst van dit denkbeeld te plaatsen is in het denken over autonomie en vrijheid van de mens zoals denkers dit de afgelopen twee eeuwen hebben gedaan. Het idee van  participatie en zelfredzaamheid werkt maar schijnbaar niet voor iedereen. Er zit een kloof tussen de bedoeling en de feitelijke praktijk. Ik begin met de analyse die Brabander maakt van de teksten van de overheid en de  reactie  van opbouwwerkers en maatschappelijk werkers  die met elkaar spraken in focusgroepen.

Een voorbeeld van framing in het overheidsbeleid.

Visie op de WMO: niet leunen, maar steunen

1.De Wet Maatschappelijke Ondersteuning beoogt dat iedereen oud en jong, gehandicapt en niet-gehandicapt, autochtoon en allochtoon, mét en zonder problemen —volwaardig aan de samenleving kan deelnemen. Veel mensen kunnen dat zelf, anderen hebben hulp of ondersteuning nodig, een stimulerende omgeving, of bepaalde faciliteiten zoals een buurthuis of een sportgelegenheid. Familie, vrienden, sociale verbanden (de buurt, het werk, de geloofsgemeenschap et cetera) en organisaties (de sportvereniging, de scouting et cetera) waar burgers aan meedoen, bieden die hulp in belangrijke mate.

2.Maar de overheid staat niet aan de kant. Ze heeft hierin ook een verantwoordelijkheid en neemt die nu bijvoorbeeld al met de Welzijnswet en de WVG.

3.Die verantwoordelijkheid kent grenzen: de overheid compenseert niet automatisch iedere organisatorische, financiële of lichamelijke beperking bij burgers om maatschappelijk actief te kunnen zijn met voorzieningen.

4.Dat zou onnodig afhankelijkheid, ‘leungedrag’ uitlokken en dat is precies het tegenovergestelde van wat de WMO beoogt, namelijk: niet leunen maar steunen.

5.De overheid —zowel centraal als lokaal — kan de Civil society per definitie niet maken want het is immers een samenleving door en van burgers. Burgers en hun organisaties brengen die Civil society vooral zelf tot stand. De beperkte maakbaarheid van de samenleving is voor het kabinet geen vrijbrief om lijdzaam toe te zien.

6.Met het steunen van goede initiatieven is veel te bereiken. Maar het kabinet stelt de eigen verantwoordelijkheid van mensen (weer centraal), zoals in het hoofdlijnen akkoord is aangekondigd.

civil societyAnalyse

  • Alle groepen worden genoemd, maar er wordt onderscheidt gemaakt tussen mensen die het zelf kunnen en anderen die hulp nodig hebben. Deze hulp wordt geboden door mensen uit het eigen netwerk. Het primaat wordt bij de burger gelegd.
  • Omdat de mogelijkheden van de overheid beperkt zijn wordt de burger aangesproken op zijn verantwoordelijkheid.
  • Te gemakkelijk voorzieningen aanbieden zou leungedrag uitlokken. Dit wordt erg algemeen en suggestief geformuleerd. Over wie gaat het precies, wat wordt precies bedoeld?  De boodschap is evenwel duidelijk: leunen is onwenselijk.
  • De argumentatie is dat de burgers de Civil Society maken en niet de overheid. De overheid staat tegenover de Civil society. Brabander ziet daarin een nieuwe positie van de overheid wat de basis is voor de hervorming van de verzorgingsstaat.

Hoe kijken de werkers.

In zijn terugblik op de gesprekken met de werkers laat de Brabander goed zien hoe zij images (2)het vertoog van de overheid ‘doorzien’ en hoe ze om gaan met de beleidsdoelen. Ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Je moet van de gemeente op een bepaalde manier zelfredzaam zijn’ waarbij ze wijzen op het normerende van gedrag en denken. Terwijl sommige van hun cliënten juist heel ‘zelfredzaam en calculerend’ zijn in het gebruiken van allerlei voorzieningen van de overheid. Maar dat is natuurlijk niet de bedoeling. De werkers vertellen in reactie op ideaal van de zelfredzame burger heel andere verhalen. Uit hun ervaringen met cliënten en bewoners komt een veel gedifferentieerder beeld naar voren. Zelfredzaamheid en eigen regie staan niet tegenover afhankelijkheid. Het zijn geen absolute waarden. Mensen zijn soms zelfredzaam en soms niet. Hier wordt de kloof tussen idee en werkelijkheid concreet in de beroepsidentiteit van de werkers. Hun eigen deskundigheid botst met het beleid dat ze moeten uitvoeren. Ze vervullen een tussenrol in die zin dat ook zij mensen willen ondersteunen en zelfredzaam maken. In een citaat: In feite ben je altijd op zoek naar wat kan deze klant, wat kan deze vader of moeder, hun kind’ en ‘je kan van alles kijken wat er niet kan, maar vooral kijken naar wat er wel kan’. Werken aan zelfredzaamheid is niet slecht, maar het draait om de manier van kijken. Hij zet twee perspectieven tegenover elkaar.

  •  Kijken we naar wat mensen kunnen vanuit onze normen of vanuit de situatie waarin mensen zich bevinden in het besef dat wat zij kunnen van dag tot dag kan verschillen.

  •  Het perspectief dat iedereen zelfstandig en zelfredzaam wil zijn’ of het perspectief dat we allemaal afhankelijk zijn.

  • Vanuit het perspectief dat er een tekort of achterstand is die moet worden ingelopen of Vanuit een perspectief dat het tekort een effect is van de norm die wij stellen (onze normen).

De schrijver wil laten zien dat het meest kenmerkend van het denken over zelfredredzaamheid  is dat het ‘gewoon’ is en ‘vanzelfsprekend’. Hij gebruikt hier voor drie instrumenten:

Discoursanalyse.

images9Zijn doel is om ‘ te laten zien hoe een bepaalde betekenis van zelfredzaamheid in relatie tot andere begrippen en beelden als vanzelfsprekend gaat spreken en constitutief wordt voor de identiteit  van de krachtige burger die de regie over zijn leven voert en zichzelf redt en hoe die burger tot norm is verheven’. P. 25  De discoursanalyse bestaat uit a. onderzoeken van de elementen: begrippen, woorden, gebeurtenissen, en identiteiten.  b. hoe deze  zich verhouden tot elkaar en c. hoe die begrippen betekenis krijgen in het onderling gesprek. Het gaat daarbij om een (politieke) strijd tussen mensen en groepen om de betekenis van het begrip. Want het resultaat van die betekenisstrijd is de sociale orde en wie in die strijd de hegemonie vestigt. Tenslotte is die strijd permanent (contingent) en dus nooit af. Steeds willen zullen groepen, personen en instituties via stukken, media, studiedagen en  beeldvorming proberen het debat te beïnvloeden.

Normatieve sprong

slide_8Wanneer een bepaalde manier van kijken de overhand krijgt, wil de orde (de groep met macht in het debat) ,  om redenen van stabiliteit, de hegemonie bevestigen. Zij heeft daarbij de neiging om met haar manier van kijken (betekenisgeving) te ontkennen dat er sprake is geweest van debat en strijd. Ze creëert een legitimatie. Bijvoorbeeld ‘een goddelijke wil’ of  de ‘menselijke natuur’ of de ‘Nederlandse identiteit’ om de orde te legitimeren. ‘Om te voorkomen dat het fundament waarop de orde zich beroept als een sigaar uit eigen doos en dus als contingent wordt gezien, maakt zij een ‘normatieve sprong’ en stelt de orde in de achterwaardse salto haar fundament voor  alsof het een neutrale en wenselijke grond is die onafhankelijk van haar bestaat‘. Zo verbergt de orde haar toevalligheid en instabiliteit. De sprong is nauwelijks waarneembaar en het doel en resultaat is vanzelfsprekendheid. De normatieve sprong is een sprookje dat zichzelf in stand houdt, ‘iedereen wil toch zelfredzaam zijn’. Maar tegelijk is ze zeer normatief. Op deze manier worden particuliere belangen en waarden algemeen gemaakt en universeel. Anders gezegd: het gaat om gedachten en meningen die ‘logisch’ of ‘vanzelfsprekend’ zijn, waarbij verhult wordt dat het om keuzes, insluiting en uitsluiting, en normativiteit vanuit een bepaalde groep gaat. In het vertoog van de participatiesamenleving gaat het om de met elkaar samen hangende begrippen als ‘eigen regie’, eigen verantwoordelijkheid’, ‘eigen kracht’ en dus hier om ‘zelfredzaamheid’. Tezamen vormen ze het discours of vertoog.

Creëren van tegenstellingen.

Naast de normatieve sprong ontwikkelt de orde tegenstellingen. Ze doet dit om de bestaande situatie te legitimeren. Door het spreken over vriend en vijand, mensen die willen en zij die niet willen, zelfredzaam zijn en niet zelfredzaam wordt de norm verstevigd. Bij zelfredzaamheid gaat het om de burger die zijn kansen benut, zich betrokken en verantwoordelijk voelt versus de burger die kansen laat liggen, die onverschillig en calculerend is. En de burger wordt niet alleen beoordeeld op zijn gedrag, maar ook op zijn wil en gevoel. Zijn wil om zelfredzaam te  zijn en zijn wil aan de samenleving deel te nemen. De nadruk op de wil doet een beroep op de intrinsieke motivatie en de waardigheid van de burger. Sterker: aan de tegenstelling wordt een moreel oordeel gekoppeld. De boodschap is: Als je niet kunt of wilt, hoor je er niet bij. De orde wordt bij elkaar gehouden door het verschil en het oordelen over en uitsluiten van bepaalde groepen.

Normering.

Een tweede submechanisme van de normatieve sprong is de normering.  ‘Wie niet aan het bestaande discours  beantwoordt wijkt af en is ónaf’. Dat geldt ook voor de manier waarop burgers leren over zichzelf na te denken in termen van zelfredzaamheid, eigen kracht, eigen regie en eigen verantwoordelijkheid. Classificaties als kwetsbare en krachtige burger zijn geen neutrale, maar normatieve onderscheidingen die figureren in een politiek dan wel moreel verhaal’. (zo zijn krachtige burgers het voorbeeld dat kwetsbare burgers moeten navolgen en worden kwetsbare burgers door de overheid gezien als  degenen die een achterstand hebben en deze moeten inlopen’. P. 33-34. Op deze manier bekeken is afhankelijkheid en passiviteit een gebrek.

Het vertoog van de overheid is politiek. Ideeën hebben een gevaarlijke kracht.

In het voorgaande hebben we gezien hoe de overheid, deze samenleving als geheel,  burgers subtiel een bepaalde kant opstuurt, als images (2)het aankomt op het wel of niet zelfredzaam zijn. In het derde hoofdstuk van zijn boek gaat de Brabander iets verder in op het begrip autonomie dat onder het hoofdwoord zelfredzaamheid verstopt zit. Hij laat zien dat er al in de 17e eeuw de wortels zijn gelegd voor een mondig autonoom mensbeeld. O.a. door Kant is nagedacht over de mondigheid die hij definieert als het vermogen je eigen verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. In stappen is dit mensbeeld in onze samenleving gemeengoed geworden. Daarbij wijst hij, geïnspireerd door de socioloog Sennet, op het nieuwe kapitalisme. Deze  neo-liberale mens- en maatschappijopvatting stuurt ‘ hoe de overheid denkt over afhankelijkheid en zelfredzaamheid’ op het gebied van zorg, onderwijs en welzijn. De kernwaarden van die dominante cultuur benadrukt ieders individualiteit en verantwoordelijkheid. Wie zichzelf redt krijgt respect, wie afhankelijk is, verliest het. In de cultuur van het nieuwe kapitalisme is afhankelijkheid iets om je voor te schamen. Het gaat om situaties waarin mensen die van anderen afhankelijk zijn, niets voor die ander terug kunnen doen. En in die cultuur wordt het ‘niet-kunnen’ al snel opgevat als ‘niet-willen’.

images (1)We hebben in het voorgaande gezien dat door het creëren van tegenstellingen en normering mensen ingesloten dan wel uitgesloten worden. Het is duidelijk geen waardevrij debat. Brabander spreekt zelfs van onverschilligheid als je geen oog hebt voor het verschil, voor het andere, voor dat wat zich niet laat herleiden tot hetzelfde. Dat wil zeggen afwijking van de norm, de mensen die onaf zijn en nog ‘geen volwaardig’ burger. Sterker. Door de sterke nadruk op eigen kracht bestaat het gevaar dat elk mens bij  wie het leven soms niet lukt zichzelf schaamt, zich op sluit in zijn huis, de post niet meer open maakt enz.

Een mooi voorbeeld van dit mechanisme is te zien in de film I, Daniel Blake. Een imagesfilm van Ken Loach uit 2016. Daniel Blake is een 59-jarige meubelmaker in het noordoosten van Engeland. Na een hartinfarct heeft hij voor het eerst in zijn leven hulp nodig van de staat. Hij maakt kennis met de alleenstaande moeder Katie en haar twee kinderen. Beiden bevinden zich in een uitzichtloze situatie, doordat ze gevangen zitten in de bureaucratische rompslomp van het hedendaagse Groot-Brittannië. Daniel kan volgens zijn artsen nog niet werken, maar volgens de instanties wel. De film laat de kwetsbaarheid zien van mensen in relatie tot een systeem dat niet is ingericht op mensen die de maatschappelijke ontwikkelingen niet kunnen volgen. Denk bijvoorbeeld aan hen die geen computer hebben en  zo de berichten van Mijn Overheid niet lezen. Treffend wordt ook getoond dat je (ook dierbare ) anderen wil ontlopen omdat je niet wilt dat zij zien dat je kwetsbaar bent of niet mee kunt doen.

Als je niet  kan zeggen dat je ‘gelukkig bent’ in onze samenleving loop je het gevaar dat anderen – dan wel jezelf – je als een ‘loser’ bestempelen. De norm van een mooi, goed en gelukkig leven dat door de maatschappij wordt uitgedragen,  werkt  zo sterk dat ouderen in de pensioenleeftijd zich overbodig voelen. Waar zeer oude mensen die nog alleen thuis  wonen het moeilijk vinden om een beroep te doen op hun kinderen, want ‘die zijn zo druk met hun carrière’. Misschien zou je zelfs de stelling kunnen verdedigen dat het grote aantal mensen in Nederland dat zich eenzaam voelt,  juist eenzaam is omdat ze met hun kwetsbaarheid en afhankelijkheid niet bij anderen terecht kunnen.

images (1)Tot slot.

Het schrijven van deze tekst heeft me geleerd om beter te kijken welke woorden gebruikt worden in teksten van de overheid en wat de achterliggende boodschap daar van is. De overheid is daarbij een partij in het systeem en heeft politieke belangen. Daarbij werd meer helder hoe via de subtiele mechanismen als normatieve sprong, het creëren van tegenstellingen en normering mensen in de gewenste richting gestuurd worden. Tenslotte is het wel goed te beseffen dat het in deze tijd voor bijna alle mensen ‘gewoon’  en ‘vanzelfsprekend’ is om zelfredzaam te willen zijn. En ook ik hoop dat mijn kinderen zich zo ontwikkelen dat ze het redden met een studie en inkomen, een woning en voldoende lieve mensen om zich heen. We zijn allemaal kind van deze tijd en zijn geprent door het filosofische begrip autonomie. Er zijn in de praktijk grote verschillen in de mogelijkheden van mensen om dat verlangen naar autonomie vorm te geven. En het is de vraag hoe we de solidariteit tussen de mensen die ‘kunnen’ en ‘niet kunnen’ vorm geven. In een volgende blog ga ik in op de vraag of het mogelijk is een tegenverhaal te ontwikkelen dan minder individualistisch is en meer gestoeld is op wederkerigheid.

Literatuur:

Eén reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s