Samenredzaamheid en de eigen kracht van mensen en groepen.

wij kunnen dat

In mijn vorige blog schreef ik over ‘zelfredzaamheid’ als leidend principe van de overheid voor de werkwijze in zorg en welzijn. De titel was: ‘Wie zichzelf redt krijgt respect, wie afhankelijk is verliest het’.

De overheid probeert, mede met het oog op de betaalbaarheid (jaarlijks 70 miljard euro) het idee te verspreiden dat mensen autonoom zijn en dat het normaal en ‘gewoon’ is dat je zelfredzaam bent. En in het vertoog dat ze gebruikt, wordt de groep mensen die zich zelf redt onderscheiden van de mensen die ‘steunen op de overheid’. En daar zit gelijk ook een moreel oordeel aan vast dat mensen die steun nodig hebben eigenlijk geen verantwoordelijkheid willen nemen voor hun leven. Zelfredzaamheid is daarmee de norm geworden.

wat zelf

En de werkers in zorg en welzijn hebben tot taak om mensen te begeleiden naar zelfredzaamheid, maar zo laat de Brabander in zijn boek zien, komen in hun praktijk echter ook mensen tegen voor wie dat moeilijk is. Zij lossen deze spanning tussen hun opdracht en de praktijk op door de norm om te keren: je moet mensen niet motiveren op wat ze niet kunnen, maar op wat ze wel kunnen. De begeleiding moet op maat zijn.

In deze tekst probeer ik een werkrichting te beschrijven die minder de nadruk legt op het individu en wat hij of zij allemaal moet kunnen, maar breder te kijken naar bijvoorbeeld een aanpak van ‘samenredzaamheid’. Ofwel zijn er andere betere manieren van ondersteuning van mensen die meer recht doet aan hun situatie en mogelijkheden? Een laatste reden voor deze tekst is dat het schrijven me helpt om mijn eigen praktijk van werker/wijkpastor met speciale aandacht voor ouderen en sociaal isolement verder te verdiepen.

Rad persoon, groep, context

Ik gebruik allereerst het begrip empowerment als een methodiek van kijken en werken in de hulpverlening en activering. De essentie van deze aanpak is dat je a. een individu met zijn of haar levensverhaal en geschiedenis nooit los kunt zien van b. het netwerk en niet los van c. de politieke en maatschappelijk context. (zie model) De vooronderstelling hiervan is dat sociale problemen als bijvoorbeeld armoede ontstaan en worden bestendigd door een samenspel van factoren op micro- meso- en macroniveau. Door zowel te kijken naar de persoon als het systeem wordt voorkomen dat ofwel de persoon ofwel de samenleving ‘de schuld’ krijgt. En door naar het geheel te kijken ontstaan er ook verschillende ingangen en oplossingsrichtingen. Empowerment is een aanpak met veel aspecten. De kernbegrippen zijn in drie paren: Burgerschap/sociale inclusie; Kwartier maken/ vermaatschappelijking en eigen kracht/gedeelde verantwoordelijkheid.

Burgerschap kracht en inzet van burgers, en zijn professionele dienstverleners. Organisaties zijn daarbij ondersteunend en aanvullend.

Sociale inclusie ( ofwel ‘erbij horen’) dit krijgt pas inhoud als het ook gepaard gaat met sociale participatie. (‘meedoen’) Maar breder gezien: Verbindingen maken en herstellen tussen burgers met grote verscheidenheid in culturele en waardegebonden aspecten.

Vermaatschappelijken. Dit begrip betekent zowel zorg ‘in’ als ‘door’ de samenleving. Het betekent dat alle leden van de gemeenschap actor zijn in het vermaatschappelijkingsproces: burgers, professionals, beleid, middenveld. Zelfzorg, mantelzorg en vrijwilligerswerk zijn hierbij bouwstenen. 

Kwartiermaken: Het is belangrijk om ‘oog te krijgen voor’ en ‘ruimte te maken voor’ mensen die ‘anders zijn’. En dat betekent niet dat die “vreemde ander” zich moet aanpassen.

Vermaatschappelijken en kwartier maken houden een sterk pleidooi in voor ontmoeting en dialoog, maar dan wel op een positieve manier. Dit vraagt om bemiddeling van bijvoorbeeld steunsystemen, maatjesprojecten en vriendendiensten. Diversiteit impliceert niet enkel het vreedzaam ‘naast’ elkaar leven van verschillende individuen, groepen, culturen en subculturen, maar ook het ‘met’ elkaar samenleven.

Eigen kracht. Vanuit een houding van gelijkwaardigheid de eigen mogelijkheden en talenten van mensen onderzoeken en versterken. Maar een ‘individualistische’ focus op “eigen kracht” kan leiden tot een sterke nadruk op “eigen verantwoordelijkheid” en vervolgens tot “eigen schuld, dikke bult” en uiteindelijk negatieve gevoelens en gevoel van falen tot gevolg hebben. De mens bekeken vanuit zowel het persoonlijke, het netwerk en de maatschappelijke context leidt tot een aanpak van gedeelde verantwoordelijkheid.

1. Eigen kracht van mensen.

Inclusive-CreativeMV

Empowerment is gericht op de persoon en wat hij of zij kan inclusief de individuele, sociale en maatschappelijke kwetsbaarheid. De start ligt bij de eigen ervaringskennis, betekenisgeving en belangrijke gebeurtenissen in het levensverhaal. (insiders perspectief). Naast het eigen perspectief wordt ook gekeken naar het netwerk van contacten,  de maatschappelijke positie en de context.

Veerkracht als kenmerk van empowerment

In elk levensverhaal zitten mooie en minder mooie ervaringen, talenten en kwaliteiten. Vanuit de erkenning voor de innerlijke persoon ( inclusief beschadiging en verbroken verbindingen) blijft de inzet van empowerment juist gericht op eigen talenten en manieren. Vaak kunnen mensen ondanks hun beperkingen toch “overleven” en een betekenisvol bestaan weten te realiseren. Mensen beschikken over eigen psychologisch kapitaal of veerkracht. Veerkracht is het vermogen van mensen (of een groep/gemeenschap) om een goed bestaan te leiden en zich ondanks hun kwetsbaarheid een zekere kwaliteit van leven te handhaven. De veerkracht van een persoon wordt sterk beïnvloed door het netwerk aan steunende relaties en het gevoel dat men invloed en controle heeft over het eigen leven. Veerkrachtige personen hebben de behoefte zich nuttig te voelen en weigeren een uitgerangeerde positie aan te nemen die hen door de maatschappij wordt opgedrongen. Dit is te herkennen in de behoefte om mee te praten over een aanpak of om vrijwilligerswerk te doen. Dit is belangrijk voor het behoud of herstel van zelfrespect. De opbouw van een positieve identiteit kan gebeuren door onder meer het ontwikkelen van talenten, bijvoorbeeld op creatief, sportief of intellectueel gebied. Fantasie en artistieke expressie zijn belangrijke bronnen van veerkracht.

kreatiekracht

De kracht van het geven is een kenmerk van mensen met veerkracht: ze kunnen goed luisteren, zijn empathisch, voelen zich verantwoordelijk. Belangrijk is dat de omgeving openstaat voor dit geven. Belangrijk is daarbij wel dat de balans tussen geven en nemen in evenwicht wordt gehouden. Wederkerigheid in relaties is belangrijk. Voor een bepaalde groep mensen is niet zozeer hun kwetsbare positie moeilijk, maar is de afwijzing en het gebrek aan waardering van de omgeving traumatisch. Dit inzicht en de manier waarop men hier mee omgaat, bepalen mede de veerkracht. Toch staat ‘hoop’ centraal bij empowerment en het werken aan eigen kracht.

Aandacht

In mijn werk met sterk geïsoleerde mensen is het ‘er zijn’ en het geven van aandacht het belangrijkste instrument. Je moet daarbij denken aan niet meer mobiele ouderen, mensen met een bepaalde psychische stoornis. Het zijn mensen waar bijna nooit iemand op visite komt, behalve de werkers van de thuiszorg.  Naast mensen staan is het kernidee in de presentieaanpak van het wijkpastoraat. Als er nabijheid en aandacht is, ontstaat er een verbinding, dat wil zeggen: vertrouwen. Dat is de voorwaarde voor vervolgstappen. Samenvattend wil empowerment zeggen: aandacht voor de eigen waardigheid en het verlangen naar respect, de behoefte zelf je leven vorm te geven, het belang van wederkerigheid en iets terug geven, en tenslotte de rol van talenten en creativiteit. Het is werk op maat. Specifiek per persoon.

Kernwoorden die ik meeneem:

  • Gestart wordt bij de unieke persoon, zijn levensverhaal en wat hij of zij kan.
  • Aandacht voor verbindingen met anderen, de wereld.
  • Oog voor veerkracht.

2. Mensen en hun netwerk/het collectief.

loesje

In de vorige paragraaf stond de persoon centraal. Maar wil je mensen ondersteunen dan moet je in de werkwijze van empowerment ook kijken naar het netwerk. Over het algemeen zijn mensen verbonden met familie, vrienden en bekenden, gemeenschappen en instituties. En daarbij zou je ook kunnen kijken naar de waarde van kleine ontmoetingen op straat, de lidmaatschappen van bijv. omroepverenigingen en kranten of het kijken naar bepaalde tv programma’s. De wisselwerking tussen de persoon en al deze elementen geeft hem of haar de mogelijkheid om gevoed te worden met ideeen, feedback te krijgen of steun te ontvangen. Zo is het netwerk van mensen en deelname aan groepen te zien als een schakel tussen de persoon en de wereld.

  • Familie en vriendennetwerk. De manier waarop families, broers en zussen en ouders met kinderen een sterke verbinding hebben kan echter zeer verschillen. Soms hebben mensen hun broers en zussen tientallen jaren niet gesproken. Ik ken een situatie waarbij een dochter haar moeder niet bezoekt omdat ze het niet eens is dat haar moeder niet naar een verpleeghuis gaat. Een beproefde methode is die van het familiegesprek of de eigen kracht aanpak. Dit wordt met regelmaat ingezet door de ouderenwerkers in de wijk.
  • Vrienden en kennissen. Mw. De Jong-Gierveld noemt in een artikel in de NRC het belang van het hebben van een konvooi of cohort aan vrienden en kennissen als manier om op latere leeftijd, als men niet meer zo mobiel is, eenzaamheid te voorkomen. Ze noemt daarbij het aantal van ongeveer 9 mensen en het liefst daarbij ook mensen die jonger zijn dan jezelf.
  • Groepen/kerkgemeenschappen. huiskamer van de buurt

Wat we hierboven lazen over het empoweren van mensen betrekt zich ook op de verbinding met familie, vrienden en deelname aan groepen. Bij empoweren gaat het om het scheppen van voorwaarden waardoor mensen hun eigen kracht en kwaliteit kunnen tonen. Regenmortel benoemt de verbinding met het netwerk als belangrijk omdat:

  • het biedt kansen op positieve identiteitsvorming en rolverwerving,
  • het helpt in het omgaan met de afwijzing, gebrek en waardering.
  • Door het gebruik maken en creëren van warme plekken, groepen en steunfiguren
  • door het scheppen van mogelijkheden tot “geven”.

Ik zou hierbij als het gaat om groepen (soos, eetgroep, activiteitengroep) willen aanvullen:

  • Een groep is een plek waar je nieuwe mensen kunt ontmoeten en vrienden kunt maken. Door zo je kring uit te breiden werk je aan de hierboven beschreven konvooi aan mensen die jou als je ouder bent kunnen bezoeken of ondersteunen.
  • Bieden van ontmoetingsplekken waar mensen ervaringen kunnen delen. (lotgenotencontact),
  • Een groep is een ambient/omgeving waar mensen elkaar corrigeren en een spiegel voorhouden.
  • De groep is de plek waar gesignaleerd wordt. Je wordt gemist als je niet op de groep verschijnt.
  • De groep heeft een eigen kracht in het samen ondernemen van activiteiten die je alleen niet zou doen.;
  • De groep is de plek waar je bijgepraat wordt over nieuwtjes. Mooie film, tv-programma’s, koopjes, het besluit om wel of niet een tabletcursus te gaan doen.
boom

In mijn eigen praktijk verbaas ik me over de kracht van de ontmoetingsgroepen die we aanbieden (maaltijdgroep en een zogenaamde Rotterdam Pasgroep, waarmee deelnemers maandelijks voor weinig geld een stad of museum bezoeken) Het gaat om ouderen die vaak alleen wonen en nog enigszins mobiel zijn, maar die vaak een klein netwerk hebben en niet veel geld hebben om te besteden. De dynamiek van een groep en datgene wat mensen elkaar kunnen geven, voegt werkelijk iets toe aan het leven van mensen en gaat verder dan een individueel gesprek met een begeleider of maatje. Hoezeer dit soms ook waardevol is. Gelukkig zijn er in de wijk verschillende woonkamers met activiteiten en worden er apart voor culturele groepen activiteiten opgezet. Vaak door zelforganisatie met een heel klein beetje geld vanuit de pot bewonersactiviteiten.

Woorden die ik meeneem uit de literatuur en mijn eigen observaties:

  • Het inzicht dat mensen altijd mens zijn in een verband, in een netwerk.
  • Kracht en kwaliteit van ontmoetingsgroepen. Met name de mogelijkheid om je te oefenen in sociale en emotionele vaardigheden en dat het de mogelijkheid biedt te ‘geven’ aan anderen
  • Het idee van en de mogelijkheid om te werken aan wederkerigheid

3. Wereld, maatschappelijke en politieke context

cooperatiemaatschappij

De derde laag is die van economie, politiek en de vooronderstellingen/ overtuigingen. Het gaat om economische voorwaarden, inkomen, betaalbaarheid van huisvesting en toekomstbestendig wonen, bereikbaarheid van winkels. In de wereld wordt aan politiek gedaan en worden mensen beïnvloed en gaat het over wat mensen ‘normaal’ vinden. Het is de wereld van ideeën en achterliggende vooronderstellingen. (ideologie/ paradigma’s) En dit alles heeft invloed op de persoon en de mogelijkheden van netwerken, groepen en organisaties.

We komen nu op de laag van het denkframe, de achterliggende vooronderstellingen in de zorg. Ik werk de vraag uit of het mogelijk is om anders te denken over autonomie, individualiteit en zelfredzaamheid.

Naar mijn idee heeft de de Christen Unie in de tekst De Coöperatiemaatschappij een poging gedaan om een andere visie op zorg en welzijn en de spelers daarbinnen te ontwikkelen. Deze is minder eendimensionaal dan beschreven in de stukken van de overheid.Het geeft juist ruimte aan het unieke van mensen, de kracht van netwerken en groepen en geeft een heldere rol aan de overheid.

  • We leven in een tijd van globalisering, localisering en individualisering. Dit vraagt om nieuwe vormen m.b.t. de inrichting van het maatschappelijk middenveld en de organisatie van solidariteit. Het gaat daarbij om de verhouding tussen overheid, burgerinitiatief en organisaties en bedrijven.
  • Gezien de huidige complexe wereld kunnen deze problemen alleen aangepakt worden door samen te werken in ketens en netwerken . Zo ontstaan nieuwe vormen van participatie, die zich kenmerken zich door een coöperatief karakter. Ze draaien om concreet werk, waarin wederzijdse verbondenheid en voordeel van elkaars talenten en inbreng centraal staan.
  • De overheid is deel van de publieke ruimte. Ze moet vanuit de publieke middelen voorwaarden scheppen en reguleren, maar zich niet opstellen als ‘gulzig bestuur’, door alle maatschappelijke ontwikkelingen te willen beheersen, controleren en vangen in blauwdrukken. Zie ook:
  • De samenleving, die mensen samen vormen, is geen ondeelbare eenheid, maar een veelkleurig geheel van maatschappelijke verbanden met eigen verantwoordelijkheden (het soevereiniteitsbeginsel).
  • Vanuit het subsidiariteitsbeginsel moet ze aan groepen en organisaties de ruimte geven om werk te maken van hun inspiratie en aanpak van problemen. De coöperatiemaatschappij vraagt om vertrouwen in de deskundigheid van mensen. Mensen hebben in hun verschillende rollen – als familielid, buurtbewoner, professional, ondernemer, ambtenaar, enzovoorts – recht op verantwoordelijkheid en zeggenschap.

Civil society nieuwJoost van Alkemade, directeur van de Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk sluit aan bij de opvatting van de CU. Het is juist de kracht van mensen en hun behoefte om zichzelf te organiseren die de overheid moet ondersteunen. Hij zegt interessante dingen over burgers in relatie tot de overheid: ‘Wie ben ik, wat zijn mijn waarden en tot welke gemeenschap(pen) wil ik behoren of bij welk initiatief sluit ik mij aan?’ Dit is de logica van de zelfsturende mens. In de praktijk van het Wmo-beleid van veel gemeenten gaat men in woord uit van ‘burgerkracht’ maar is de praktijk directief en voorschrijvend. Volgens de Wmo 2015 hebben burgers het ‘right to challenge’, het recht de gemeente uit te dagen. Zij mogen met eigen voorstellen komen voor de uitvoering van zorg en welzijn als zij dat beter en goedkoper kunnen. Maar belangrijk is daar bij eigenlijk ‘het recht’ om uit te dagen op basis van de ‘eigen-wijze’ van organiseren.

Hij is van mening dat professionals en gemeenten meer zouden kunnen aansluiten bij deze aspecten van bewonersinitiatieven en –bedrijven. Zodat zij uit alle lagen van de bevolking kansen krijgen. En niet alleen de elite die wel met de juiste taal, performance, netwerken, bravoure en kunde al helemaal aansluit bij de cultuur, de eisen, de geschreven en ongeschreven regels van de ambtenarij en de politiek. In de praktijk is het eerder de overheid die uitsluit of te weinig publiek ‘voor-investeert’ in bewoners, in groepen met achterstand, juist ook in de noodzakelijke competentie van het leren zelf organiseren. ‘.

mondige-burgers-getemde-professionals

Dat er kritische noten te plaatsen zijn bij de insteek van de overheid wordt ook opgemerkt door het onderzoeksproject ‘De affectieve burger’. De hoogleraar actief burgerschap Evelien Tonkens ziet in de komst van de participatiesamenleving de zoektocht naar nieuwe verhoudingen tussen burgers, overheid en markt. Ze zegt: ‘Die zoektocht is al enige tijd gaande, en is leuk en spannend maar niet van gevaar ontbloot. Als gevaren ziet ze de overbelasting van bijvoorbeeld mantelzorgers. En in de praktijk zijn dit vaak vrouwen die daarmee eerder in een traditionele rol teruggeworpen worden. De overheid kan zich te snel terug trekken waardoor er gaten vallen in de zorg. Tenslotte kan het zijn dat de burger verantwoordelijkheid krijgt, maar weinig zeggenschap. Kortom ook hier de waarschuwing om de eigen kracht van burgers en groepen niet te overschatten.

Achtergronden Christelijke sociale leer en Communitarisme

De visie van de CU op de ‘organisatie van de solidariteit’ heeft oude papieren. Deze is te vinden in de sociale leer van het christendom. Denk aan de praktijk van: armenzorg, weeshuiswerk, broodhuizen, eethuizen van Vincentius, enz. Denk ook aan het werk van religieuzen van de derde orde die vanaf 1850 een belangrijk deel van het sociaal werk en de zorg organiseerden. Allemaal geïnspireerd door het christelijk idee van zorg voor kwetsbare mensen en uitgevoerd door leden van kerken of burgers die zich in dit soort werk herkennen. Het basisidee van dit werk zou je kunnen definiëren met het woord christelijke liefde of agapé. Dit laatste is een zeer gelaagd begrip dat zorg of liefde voor elkaar betekent met de volgende gekoppelde begrippen: concrete daden, uitgaan van de unieke person, gelijkwaardigheid, verandering, geduld en geven. (Zie Govert Buijs)

Naast deze christelijke visie wil ik ook de filosofische stroming van het communitarisme noemen. Deze groep denkers benadrukt dat individuen deel uitmaken van een sociale omgeving waaraan ze veel van hun invloeden, opvattingen en behoeften aan ontlenen, en die ze ook nodig hebben om een compleet mens te worden. Het communitarisme, wordt vaak gezien als een reactie, of zelfs kritiek, op het liberalisme. Communitaristen beklemtonen de afhankelijkheid van de mens van de gemeenschap, wat in scherpe tegenstelling staat met de liberalistische opvatting, voor zover die het primaat eenzijdig legt bij het onafhankelijke individu. Communitaristen sluiten een onafhankelijk oordeel van het individu binnen de gemeenschap niet uit, maar geven er de voorkeur aan om te spreken van een sociaal individu. Communitaristen vragen zich af wat het betekent een enkeling in een gemeenschap te zijn; wat het maatschappelijk verschijnsel individualisering betekent; wat de ontbindingsverschijnselen, die individualisering voortbrengen, zijn; wat het “cement” kan zijn dat een gemeenschap (weer) kan binden. Ze zoeken bij voorkeur alternatieven in een politiek die gericht is op algemeen welzijn en benadrukken daarbij het belang van een sterke civil society, ze zijn wars van etatisme, maar niet van ingrepen in wat ze zien als de verbureaucratiseerde verzorgingsstaat.( Wikipedia)

Een van de filosofen is Charles Taylor. Hij zet zich niet af tegen het liberalisme als zodanig, maar tegen wat hij “atomisme” noemt. Hieronder verstaat hij de neiging om in beschouwingen over het individu de sociale context waarin het functioneert uit het oog te verliezen. Zonder die context moeten politieke waarden haast wel abstract en universeel geformuleerd worden. Dat gaat vaak goed (“universele mensenrechten”), maar het kan ook tot gevolg hebben dat onderliggende waarden en de menselijke maat op het tweede plan komen te staan.

Voor mijn verhaal neem ik mee:

  • De overheid moet niet (te gulzig) aan het stuur zitten van alle problemen in de samenleving, maar wel voorwaarden scheppen. En vertrouwen hebben.
  • Nl. dat burgers en groepen een eigen deskundigheid en inspiratie (geloof, roeping) hebben en gemotiveerd zijn om zaken aan te pakken. Dit is een enorm potentieel, maar het mag ook weer niet door de overheid instrumenteel ingezet worden.
  • Dit verbinden gebeurt in een netwerkaanpak. Dat wil zeggen gebruik elkaars kwaliteiten en deskundigheden.

4. Twee manieren van kijken en werken.

pijlen

Na deze route langs persoon, netwerk en wereld is het landschap van zorg en welzijn veel breder en diverser geworden dan het eendimensionale en normatieve ‘werken aan zelfredzaamheid’ zoals dat in het boek van Richard de Brabander wordt beschreven. Het heeft mij geholpen om te zien dat er alternatieve manieren van kijken en werken zijn. Het spoor van empowerment en de inzet van groepen van bewoners, lotgenoten en belangengroepen dat ik hier heb onderzocht en beschreven geeft een onderbouwing van de werkwijze van het wijkpastoraat en geeft het richting om verder te ontwikkelen. Om de twee manieren te onderscheiden heb ik de belangrijkste kenmerken op een rij gezet:

Kenmerk Paradigma

Zelfredzaamheid

Paradigma

Empowerment

Filosofische achtergrondKant. AutonomieTaylor Communitarisme. Christelijke sociale leer
Mensbeeldindividualisme,Persoon in relatie tot omgeving. Holistisch
Maatschappijbeeld(neo)liberaalCoöperatie samenleving
Rol overheidTegenover groepen

en personen. Normerend.

Overheid is partner in de Civil society
Visie op BurgerschapVolgens de regels van de overheidSubsidiariteit. Grote eigen inzet van

burgers en groepen. Diversiteit.

ProcesMaakbaarheid.

Regels en normen

Aandacht en werken aan ‘wat kan’/ eigen veerkracht.

Onvoorspelbaar, ongedisciplineerd, ondoelmatig, langzaam en traag.

MachtsverhoudingVan bovenafVanuit de persoon en kracht van de groep
MethodeKortlopende begeleidingAandacht gericht op eigen veerkracht en wederkerigheid

Zoals de werkers in de zorg vanuit hun professionaliteit de norm achter zich laten en ‘op maat werk’ leveren, zo is de aanpak van empowerment en de visie van de coöperatiemaatschappij een gezond werkend alternatief,  omdat het op het positieve manier uit gaat van de talenten, kwaliteiten en eigenheid van mensen en groepen. Het startpunt van denken, de achterliggende ideologie maakt wel degelijk een verschil. Een overheid die mensen en groepen normeert verliest de passie en energie van diezelfde mensen en groepen.

5. Terug naar de praktijk van eenzame, geïsoleerde mensen.

Ik bezoek regelmatig een vrouw van 86 die in een niet meer goed onderhouden woning woont. Veel vrienden en bekenden heeft ze niet meer. Alleen haar zoon en twee kleinkinderen letten een beetje op haar. Wel komt er elke week een vrijwilligster van het wijkpastoraat waarmee ze goed kan praten. En er is een schoonmaakster die elke week een paar uur door haar huis gaat. (al doet ze van te voren wel even haar eigen toilet, want ze wil niet dat iemand dat voor haar doet) Ze is verder veel alleen. Maar ze denkt er niet over om naar een verzorgingshuis te gaan, ook al heeft ze pijn in haar rug en knieën en kan ze eigenlijk niet meer goed de trap af om te gaan douchen. Heel goed contact met de buren heeft ze niet. Alleen als er nood is kan ze een beroep op hen doen. En ze moppert over al die vrouwen in de straat die vroeg in de ochtend met kinderen in de auto naar de creche rijden en daarna naar hun werk. Ze herkent zich niet in hen en mist tegelijk dat burencontact dat vrouwen vroeger hadden. De wijkverpleegkundige die een keer per twee maanden langs komt heeft haar geadviseerd om een alarmsysteem te regelen. Dat wil ze echter niet want dat vindt ze te duur. Ze redt zich wel met de huistelefoon en ze belt iedere dag met haar zoon. En zo zegt ze: Dan lig ik maar een paar uur op de grond. Ook het aanbod van thuiszorg die helpt met douchen wordt afgewezen. Ze wil geen buitenlandse vrouwen aan haar lijf. Ze wast zich wel zelf in haar keukentje. Deelname aan groepen is niet aan haar besteedt, ook al wordt er aangeboden dat ze wordt opgehaald.

Met alle visie- en beleidswoorden die hierboven voorbij zijn gekomen is het nog niet zo makkelijk om de werkelijke tragiek van haar situatie te zien en daar bij aan te sluiten. Ik reflecteer op de beschreven situatie met het model persoon, netwerk en wereld. Persoon: Mensen van haar leeftijd hebben altijd hun eigen zaakjes geregeld en dat doet ze nu ook met haar mogelijkheden en het beetje geld dat ze heeft. Ze ziet heus wel dat haar huis niet meer is bijgehouden, maar haar trots is dat ze daar kan blijven wonen. Ze wil niet betutteld worden door anderen en is daarin meer zelfredzaam dan veel anderen. Haar eigen kracht en trots zijn tegelijk haar kwetsbaarheid. Netwerk: Met haar familie redt ze zich, door de boodschappen die ze doen en de vele telefoongesprekjes met haar zoon. Ze is blij met de vrijwilligster, de huishoudelijke hulp en mijn bezoekjes en ze accepteert verder de vele lege uren alleen Dit netwerkje van mensen naast haar familie zou wel wat sterker mogen om voorbereid te zijn op de toekomst en daar zou ook een kleine rol in kunnen zitten voor de buren. Maatschappij: deze komt binnen in de vorm van de wijkverpleegkundige. Deze biedt haar ondersteuning aan, maar daar is ze nog niet aan toe. De wereld dat zijn ook de vrouwen in de straat die werken en waarmee ze geen burencontact mee heeft. Er is sprake van cultuur- en klasseverschil. En de regels in de straat als het gaat om onderlinge steun zijn minder helder dan vroeger waardoor vraag- en aanbodverlegenheid ontstaat. Is het ook mogelijk om vanuit de wijk een vorm van ondersteuning te organiseren? Ondertussen proberen we vanuit het wijkpastoraat wat aandacht te geven en trouw te zijn en haar in haar keuzes te ondersteunen en misschien haar eenzaamheid wat te verlichten. Waar oplossingen en maakbaarheid niet werken kan een beetje agapeische liefde heel maken en heilzaam zijn. Misschien.

Literatuur

  • Tine van Regenmortel Empowerment als uitdagend kader voor sociale inclusie en moderne zorg. Zie
  • Joost Alkemade. Wantrouw niet de eigenheid van burgers. Zie
  • Publieke liefde Oratie Govert Buijs. Zie:
  • Charles Taylor. Zie:
  • Coöperatiemaatschappij. Wetenschappelijk instituut Christenunie. Zie:
  • De paradox van kracht en kwetsbaarheid. Gaby Jacobs SWP 2001
  • Sociale vraagstukken. Affectief burgerschap. Zie:
  • Belang van nieuwe regels in de straat. In Zo Hoort het. Oratie Marja Jager- Vreugdenhil. Zie:
  • De jong Gierveld. Ouderen moeten zelf eenzaamheid voorkomen. Zie: 

Eén reactie

  1. Ha Jan, Ik heb deze blog met veel herkenning gelezen. Interessante vraag is volgens mij: hoe deze paradigmashift (m.n. bij professionals) binnen de Civil Society nieuwste stijl is te realiseren ? Gr. Peter Lukus

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s