Belang van volwassen geloven

Kunnen leven met onzekerheid.

Gelovig zijn of een christelijke levensvisie hebben is in 2020 helemaal niet meer zo vanzelfsprekend en gemakkelijk als vroeger. De invloed van de kerken op het leven van mensen is sterk afgenomen. (Beelen) Meer dan vroeger stellen mensen zichzelf de vraag: Whats in for me? Kan ik het begrijpen, wat kan ik er mee, past het bij de persoon die ik wil zijn? Mensen zijn op allerlei manieren op zoek naar betekenis- en zingeving, bricoleren met behulp van verschillende bronnen (boeddhisme, Happinez, enz. ) hun eigen levensvisie in elkaar. Deze ontwikkeling komt niet uit de lucht vallen. Al sinds de 19de eeuw wordt geloof onder vuur genomen (Marx, Freud en Nietzsche), maar ook vanuit de Bijbelwetenschap en de theologie wordt er gemorreld aan al te vaste denkbeelden over het geloof. Tegelijkertijd is het geloof in God werkzaam in bepaalde regio’s van Nederland, stemmen christenen in grote getale op Trump (Tijs van den Brink) en proberen populisten christendom te koppelen aan hun eigen ideologie. (cultuurchristendom) Dit alles laat zien dat geloof en levensbeschouwing onderdeel van onze cultuur is, en waarover net als andere terreinen in de maatschappij voortdurend debat en strijd is. En het is geen vrijblijvend gesprek. Het is mede aan theologen de opdracht om mensen te begeleiden om te komen tot wat men een ‘volwassen levensvisie of geloof’ noemt. Een geloof dat bestand is tegen religiekritiek vanuit de cultuur, maar die ook steun en richting geeft bij levensvragen en maatschappelijke discussies. Ik ga bij dit vraagstuk uit van drie vooronderstellingen:

  1. Elk mens ontwikkelt – op basis van afkomst, door ouders overgedragen taal, waarden, symbolen en rituelen, ervaringen – een eigen manier van kijken en handelen. Dit is de basis voor een levensvisie, waar geloof een onderdeel van is.
  2. Iemands geloof is geen eeuwige vaste waarheid. Mensen geven in hun levensloop, mede onder invloed van maatschappelijke culturele veranderingen en door invloed van hun sociale omgeving (familie, vrienden, werk), steeds opnieuw betekenis aan hun leven.
  3. Het sleutelwoord ‘volwassen’ dat ik hanteer is niet alleen beschrijvend maar ook een normatief begrip. Je kunt spreken over volwassen gedrag als je kijkt naar passend bij je leeftijd en in relatie tot gedrag in de cultuur. Denk aan: stoppen voor een stoplicht of net als iedereen je belasting betalen. Maar het begrip is ook normatief als het gaat om wijsheid in maatschappelijk denken en handelen.

Op mijn zoektocht vond ik materiaal van een project van de Katholieke Universiteit  Leuven en Katholieke Dialoogschool met betrekking tot ondersteuning en verbetering van het levensbeschouwelijk onderwijs in Vlaanderen. De theoretische onderbouwing (o.a. hermeneutiek van Paul Ricoeur) en de beschrijving van de post-kritische geloofsschaal was daarbij dienstig. Ik geef allereerst de belangrijkste elementen van dit project en denk daarna verder met hulp van het model van geloofsstadia van James Fowler over waar een volwassen geloof aan zou moeten voldoen.  

  1. Onderzoek naar de werking van geloof in onze moderne samenleving.

In dit Belgische project wordt gewerkt met verschillende vragenlijsten. Een daarvan is de post-kritische geloofsschaal. Doel is een nulmeting te doen naar de wijze waarop leerlingen, docenten en ouders kijken naar geloof vs ongeloof. Het begrip post-kritisch verwijst naar een manier van geloven die de moderne kritiek op geloof en religie kan weerstaan en overstijgen. Het betreft hier een geloof dat niet meer naïef is, omdat het beproefd is door de kritiek van het atheïsme en deze kritiek positief verwerkt en geïntegreerd heeft”  Het centrale begrip dat door de onderzoekers gehanteerd wordt is het begrip “tweede naïviteit” van Paul Ricoeur.

Ricoeur heeft het begrip tweede naïviteit ontwikkeld in zijn hermeneutiek van het symbool. De taal waarvan religies zich namelijk bedienen, is volgens Ricoeur een mythologische taal. De mythe is dan een uitgewerkt symbool, dat zich in de geschiedenis en in een verhaal ontvouwt. Deze taal gebruikt symbolen die uitdrukking geven aan de ervaringen van de mens die zijn bevattingsvermogen overstijgen. Deze ervaringen vragen om uitgedrukt te worden. Maar ze kunnen nooit volledig in woorden gevat worden. Het symbool en met hem dus ook de mythologische taal heeft twee intentionaliteiten: een letterlijke intentie waarbij het teken volledig transparant is, en anderzijds een verborgen betekenis die op de eerste is verder gebouwd. Het verwijst naar iets wat het nooit volledig kan uitdrukken maar het gebruikt hiervoor de letterlijke betekenis. Symbolen zetten dus mensen aan het denken omdat de betekenis niet vastligt. Het achterliggende idee is dat in de moderniteit en zeker in het hedendaagse denken de onmiddellijkheid van het geloof in de (sacrale) symbolen complex geworden is. Symbolen kunnen niet meer direct ‘verstaan’ worden en enkel nog via de weg van de interpretatie betekenis krijgen.

Goed bijbel lezen, ofwel hermeneutiek plegen, moet daarom gebeuren in twee stappen. Naast een eerste directe lezing van het verhaal volgt een tweede meer reflexieven rationele lezing.

  1. De reductief hermeneutische pool bestaat enerzijds uit het bekritiseren van de religie zoals dit gedaan is door de Marx, Freud en Nietzsche. Zij zagen religie als een illusoire projectie van de mens die hem/haar  vervreemd van zichzelf. Anderzijds moet er naast de demystificatie van de religie in de eerste beweging ook een ontmythologisering gebeuren. De bijbel is ontstaan in een tijd die niet de onze is. De taal van de bijbel verschilt dan ook danig van die van ons en is dikwijls moeilijk te begrijpen. Dit dwingt ons de beelden die in de Bijbelse verhalen worden gebruikt, te ontmaskeren als mythologisch. Dit kan door via de hermeneutiek achter de beelden van de taal te kijken en te begrijpen wat de boodschap is. “We mogen de tekst niet meer letterlijk nemen, maar evenmin ‘ontmythiseren’. Deze reductief hermeneutische pool blijkt daarmee voor Ricoeur een eerste stap te zijn in het proces van de hermeneutiek.
  2. De tweedepool noemt Ricoeur een herstellende hermeneutiek. Men moet dit als een tweede stap beschouwen. Het is echter niet voor iedereen evident om na de eerste stap het gedemystificeerde en ontmythologiseerde geloof te “herstellen”. Dit gebeurt wanneer men in de net besproken externe kritiek ook de positieve betekenis kan zien. Fortmann omschrijft dit als een creatieve interpretatie van de moderne mens om met het geloof om te gaan. Op die manier wordt de betekenis ‘gerestaureerd’ zodat er een nieuwe boodschap naar voren komt. Het object van wantrouwen wordt zo weer een object van geloof. Je kunt daarom spreken van een ‘herwonnen geloof’ dat hoewel het een “rationeel omgaan met de tekst en geloof is, het desalnietemin een geloof is. Dit is wat Ricoeur bedoelt wanneer hij van een “Tweede Naïviteit” spreekt.

Door de twee stappen te doorlopen kan de persoon, vanuit een modern autonoom denken, zich identificeren met intenties van het geloof.

Tussen de eerste en tweede naiviteit zit eventeel een tussenstap. (Wikipedia Ricoeur) Je kunt namelijk de bijbel op drie manieren lezen n.l. als: a. Een ‘fantastisch boek’: de eerste naïviteit, begrijpend lezen als sprookje in de miraculeuze kindertijd (story) b. Een ‘historisch boek’: de kritische fase (history) 3. Een ‘levensboek’: de tweede naïviteit, een antwoord op grote zinvragen voor mensen van nu en vroeger, hier en elders (transhistory)

Onderzoek en typologie van geloofsstijlen.

Bij de toelichting van het post kritische geloofsmodel komen verschillende godsdienstpsychologen aan het woord.

-De Vriese meent dat er een normatieve cultuur-historische betekenis aan de hermeneutiek van Ricoeur vast zit. Namelijk dat de menselijke beschaving slechts het stadium van volwassenheid kan bereiken door afstand te nemen van een pre-kritische religiositeit.

-Allport, ook godsdienstpsycholoog, gebruikt de wijze waarop een kind van zijn/haar moeder houdt als frame om de religieuze attitude te beschrijven. Een kleine baby zal van zijn moeder houden omdat de moeder het eten geeft, verzorgt en troost. Deze liefde van het kind noemt hij een extrinsieke houding. In de verdere ontwikkeling van zijn leven zal het kind en de volwassene een intrinsieke houding tegenover zijn moeder ontwikkelen. De liefde voor zijn moeder wordt nu bepaald door de persoon van de moeder zelf. Allport spreekt dan van een intrinsieke houding. Dit onderscheid past hij vervolgens toe op religie. Een extrinsieke religieuze attitude is dan: de persoon participeert aan de religie omdat dit hem troost geeft, of omdat hij in de kerkviering andere mensen ontmoet of omdat dit hem een zekere status verleent. Men is dus religieus om niet-religieuze motieven. Daartegenover is een intrinsieke religieuze houding een wanneer men gelovig of religieus is wegens de religieuze waarden zelf. Het gaat hier dus over de wijze hoe men gelooft. Het gaat nu niet meer over wat men geloof, maar over hoe men gelooft. Voor Allport was iemand die intrinsiek gelooft meer volwassen dan iemand die meer extrinsiek gelooft. Daarmee introduceert hij een normatief begrip n.l. religieuze volwassenheid.

-De Wulf. Het model van Allport blijkt volgens de Vlaamse onderzoekers toch minder geschikt om de hedendaagse situatie te monitoren. Door de maatschappelijke ontwikkelingen waaieren mensen veel breder uit dan in de tijd van Allport. Zij stellen dat er naast eigen psychologie van geloof er ook een is van ongeloof. In het instrument van de religieuze attitude moet ook een eigen positie voorzien worden voor ongeloof. Hoe mensen met persoonlijke en maatschappelijke gebeurtenissen om gaan, welke brillen zij opzetten en de wijze waarop ze de elementen van de religieuze traditie gebruiken (coping) is zeer verschillend. De post kritische geloofsschaal zal aantonen dat er verschillende brillen mogelijk zijn en dat mensen door deze bril gekleurd zien naar de hen omringende werkelijkheid. Om dit probleem op te lossen gebruiken ze het gedachtegoed van D. Wulff die een poging doet een voorstelling te maken van hoe psychologen en mensen in het algemeen naar godsdienst kijken of met godsdienst omgaan. Wulff zegt dat dit bepaald wordt door twee hoofdassen waardoor vier velden ontstaan, die telkens een combinatie zijn van twee assen.

1. Transcendentie. Mensen staan open of niet voor een transcendente werkelijkheid. Geloof versus ongeloof. 2. De tweede as gaat over letterlijk tegenover symbolisch denken. Letterlijk denken betekent dat het niet nodig is de religieuze werkelijkheid te interpreteren. Het gegeven staat er zoals het er staat. Jezus liep over het water! Symbolisch kijken betekent juist dat er interpretatie nodig is om dit over water lopen te begrijpen. De betekenis ligt niet onherroepelijk vast en kan veranderen. Het betekent dat er onder het concrete verhaal of het concrete gegeven waarmee de persoon geconfronteerd wordt een onderliggende betekenis aanwezig is.

De vier velden

  1. Letterlijke geloof, ofwel orthodoxie.

Dit is een zuiver psychologische categorie en verwijst helemaal niet naar een bepaalde religieuze traditie. Mensen die letterlijk geloven zijn dualistische denkers, alles wordt geduid in termen van wit en zwart, een grijszone mag niet bestaan. Antwoorden moeten duidelijk zijn. Deze personen vertonen een hoge mate van religieuze zekerheid. Zij verbinden positieve maar ook negatieve gevoelens met hun omgaan met geloof. Opvallend is dat er een duidelijke tendens tot etnocentrisme te zien is. Letterlijk gelovigen maken een zeer duidelijk onderscheid tussen hun eigen en andere religieuze tradities. Verder: de inhoud van hun geloof is duidelijk en kan niet veranderen over de tijd, zij hebben problemen met ambiguïteit en met onduidelijke gedachten. Zij ontlenen de inhoud en het waarheidsgehalte van hun geloof aan religieuze autoriteiten. Je zou kunnen stellen dat letterlijk gelovigen een poging doen om onzekerheid en angst te reduceren. Extreme vormen van dit omgaan met geloof zouden wij kunnen duiden als religieus fundamentalisme.

2. Externe kritiek (Letterlijke ongeloof) .

Dit zijn personen die duidelijk getekend zijn door de kritiek die Freud, Marx en Nietzsche op de religie geven. Ze zijn op zoek naar zekerheid en vinden die in de positieve wetenschappen, daar kan men immers zaken bewijzen. Wetenschappelijke, positief wetenschappelijke zekerheid is de enige betrouwbare bron van kennis. Het zijn duidelijk ook dualistische denkers net als de letterlijk gelovigen. En ook vertonen zij een tendens tot etnocentrisme, maar die is minder uitgesproken dan bij de orthodox gelovigen. Ook deze houding is te zien als een vorm van reductie van onzekerheid.

3. Relativisme (Symbolisch ongelovigen) .

Deze groep mensen is zeer geïnteresseerd in godsdiensten, zij weten er veel over en zijn er door geboeid op een zuiver intellectuele manier. Het belangrijkste verschil met de symbolisch gelovigen is dat zij zich niet binden, er is geen persoonlijk commitment. Deze geloofsstijl is dominant bij jongvolwassenen. Dit kan een overgangspositie zijn, maar ook een definitieve keuze. Dit relativisme kan in extreme vormen naar voren komen, zodat het zou kunnen lijken op vormen van een grote onverschilligheid.

4. Symbolisch gelovigen.

Symbolisch gelovigen zijn zich bewust van het feit dat ze moeten interpreteren, opdat de religieuze boodschap voor hen nog van betekenis kan zijn. Ze zijn door een periode van kritiek en vragen gegaan, maar hebben de achterliggende betekenis van de boodschap opnieuw ontdekt. De oude verhalen kunnen ze lezen, omdat ze op zoek gaan naar de boodschap, naar de betekenis van die verhalen voor hen. Ze zijn minder zeker geworden, maar kunnen leven met de onzekerheid en de ambiguïteit (tweede naïviteit Ricoeur). Spreken en denken over het absolute is historisch bepaald en dus voor een stuk relatief. Omgaan met geloof is een never-ending story. In extreme mate zou dit kunnen geduid worden als een vorm van agnosticisme, waar elke duiding telkens opnieuw in vraag gesteld wordt.

Op basis van dit raster is een vragenlijst ontwikkeld die de lezer van dit stuk zelf op internet kan invullen. hier. Deze levert in mijn geval de volgende radargrafiek op.

Door computer gegenereerde alternatieve tekst:
LETTERLIJK GELOOF 
geloof 
POST-KRITISCH GELOOF 
Post-Kritische Geloofsschaal (n=l) 
letterlijk 
.13 
.89 
2 
6. 
symbolisch 
EXTERNE KRITIEK 
ongeloof 
RELATIVISME

Aanvullende informatie bij het model.

  1. Als de letterlijke geloofsstijl een vorm van onzekerheidsreductie is, dan kan de symbolische vorm gezien zien worden als een ‘betekenishorizon’, een perspectief die aanzet tot het steeds opnieuw ontdekken van nieuwe betekenissen.
  2. Relativisten houden afstand van een levensbeschouwing, kerk of groep terwijl  ‘tweede naïviteitsdenkers’ zich  verbinden in die zin dat ze hun betekenisgeving verbinden aan lidmaatschap, gedrag of inzet.
  3. De letterlijk ongelovigen denken eveneens dualistisch. Zij baseren zich op een geloof in de wetenschap of de economie dat houvast biedt. Denk aan de wetenschap die wel een oplossing zal vinden voor het klimaatprobleem.
  4. Dit model is een typologie. Dit wil zeggen dat niemand scoort alleen op één van de vier velden. Elk van de vier velden komen aan bod, maar met een dominantie op één van de vier. Zie het voorbeeld hierboven.
  5. Bij dit onderzoek naar geloof, ongeloof en transcendentie werd ontdekt dat er ook vormen van etnocentrisme naar voren kwamen. Hoe sterker iemand een bepaalde intrinsieke en extrinsieke geloofsopvatting heeft, des te meer is men ook afkeurend en discriminerend is naar mensen die anders denken.  Etnocentrisme is dus duidelijk verbonden met een denkstijl, zij het naar geloof of naar ongeloof

2. Eigen reflectie

Bovenstaand materiaal behandelt aspecten m.b.t. het komen tot een volwassen levensvisie dan wel geloof. Ik probeer tot een eigen reflectie te komen en gebruik daarbij het gedachtegoed van James W. Fowler en Emmanuel Levinas.

1. Noodzaak van reflectie en interpretatie.

Veel mensen hebben in de kindertijd de verhalen aangeboden gekregen als een pakketje waarheid. (Hutsebaut) Een veilig en duidelijk geheel. Deze aanpak had wortels in de 16e eeuw in de tijd van de opkomst van de verlichting maar dat was ook de tijd van reformatie en contra reformatie. Het geloof van de kerk moest veiliggesteld worden tegen het meer en meer rationeel logisch denken. Deze opvatting over geloof was veel rechtlijniger dan aan het begin van het christendom toen er meer ruimte was om geloof als idee of mening te zien. Dit letterlijk lezen, gericht op waarheid, heeft veel mensen in de problemen gebracht en mede gezorgd voor de snelle secularisatie in de 20e eeuw. (Kinneging) Of het nu de bijbel is, een film, een betoog op een website, de denkers, theologen en journalisten uit de geschiedenis hebben ons voorgedaan hoe deze verhalen te beoordelen en te bevragen. Volwassenheid betekent hier nadenken, diverse meningen toelaten en zelf een onderscheid kunnen maken tussen zaken die meer of  minder ‘waar’ zijn. (Taylor) Het is zorgelijk dat op dit moment via internetgebruik, populisme en ‘fake news’ het onderscheid tussen ‘waar en onwaar’ steeds minder duidelijk wordt.  Je zou dit kunnen zien als een meer ‘onvolwassen’ worden van onze samenleving. (Heijne)

2. Omgaan met onzekerheid en ambivalentie.

 Een meer symbolische lezing van Bijbelverhalen of ‘doorzien’ van een film of boek vraagt om het uitstel van een mening en het uithouden van de onzekerheid. In de joodse lezing van Bijbelverhalen staan de interpretaties van verschillende rabbi’s naast elkaar rondom het Bijbelgedeelte. Het is aan de lezer om deze te kennen en een eigen interpretatie te ontwikkelen. Werken aan volwassenheid betekent dan allereerst het herkennen van de onzekerheid bij mensen als het gaat om frames en houvasten die je als mensen nodig hebt. Denk bijvoorbeeld man/vrouw rollen en verhoudingen, economische zekerheid en kunnen vertrouwen op een goed werkende overheid. De uitdaging is vervolgens het erkennen dat er meerdere antwoorden zijn op een vraagstuk of dat ons denken over onderwerpen kan verschuiven. Kijk bijvoorbeeld naar de schuivende opinies over klimaatverandering, zwarte piet of vuurwerk

3. Geloofsontwikkeling en groei.

De drie manieren van Bijbellezen zoals door Ricoeur beschreven zijn te zien als drie aspecten van het symbool. Net zoals je een schilderij of roman kunt lezen op drie niveau’s: oppervlakte, achtergronden en geschiedenis en symbolisch. Bij het genieten en begrijpen van kunst kunnen alle drie dimensies deel uitmaken van de kijk of leeservaring. De drie aspecten zijn naar mijn idee ook te zien als een proces van stappen die een mens in zijn leven doorloopt. Een kind leest een verhaal of sprookje als letterlijk ‘waar’. Als het ouder wordt lukt het vragen te stellen en de symboliek te begrijpen. Denk bijvoorbeeld aan de scene uit het verhaal van roodkapje waarbij de jager de moeder uit de buik van de wolf haalt en er stenen in doet. Het kind dat het verhaal hoort aanvaart deze ‘waarheid als verhaal’ en kan later als volwassene  en bewust van de symboliek van het verhaal het verhaal van Roodkapje weer voorlezen aan z’n eigen kind.

Een vergelijkbare ontwikkeling van denken en begrijpen is beschreven in het boek Stages of Faith van James W. Fowler. Zijn onderzoek heeft laten zien dat mensen in de loop van hun leven nieuwe manieren van coping ontwikkelen. Zo ‘groeien’ ze van een naïef kinderlijk geloof, via een fase van íets-isme naar een zelfgekozen inhoudelijke duiding van wat voor hen van belang is. In zijn fasenmodel wordt zowel gekeken naar verstandelijk denken (Piaget), ethische ontwikkeling (Kohlberg), symbool verstaan en de invloed van de sociale omgeving (familie, peergroup, verhuizen). Volgens Fowler kun je mensen niet naar een volgende fase ‘duwen’, maar groeien ze door hun levenservaringen naar een volgende manier van denken. De sociale omgeving of ambiënt is daarbij wel van belang. Dat wil zeggen dat kinderen en jongeren die in een ‘volwassen’ denkende omgeving verkeren, sneller en makkelijker deze ontwikkeling doormaken. Volwassen gelovige familie, vrienden, groepen en docenten zijn dus wel degelijk van belang om te komen tot geloofsgroei. In de post-kritische geloofsschaal is het type relativisme type naar mijn idee te zien als de iets-isme fase bij Fowler. Volledig symbolisch kunnen denken vraagt om tijd en geloofsontwikkeling.

4. Volwassen geloven als ‘normatief’ begrip.

Filosofen als Nietzsche en Arendt hebben fundamentele kritiek op religie of geloof als deze louter als bovenbouw wordt gezien. Het is dan een projectie, een set van aannames die het leven stut, troost biedt maar die niet verbonden is met een praktijk in de wereld. Een algemene leer zonder “geschiedenis”. Met name in de letterlijke geloofsvisie wordt de historiciteit uitgeschakeld. Een volwassen geloofs- en levensvisie gaat wel uit van het idee dat een eigen denken en geloof zich steeds ontwikkelt in tijd en plaats. Zoals Edward Schillebeeckx schrijft “God is elke keer nieuw”. En dat betekent dat steeds opnieuw de vraag naar wat het ‘gemeenschappelijk goede’ is. Datgene wat Goed, Waar en Schoon is, moet steeds opnieuw in elke tijd beantwoord worden. En niet alleen dat, maar ook de vraag naar waar we ons mee verbinden. De moderne mens weet van alles, maar verbindt zich niet, houdt afstand, wil alle mogelijkheden openhouden. (Rob Wijnberg) We zien de vluchtelingenproblematiek op Lesbos of de branden in Australië, maar vertalen dit niet naar inzet of aansluiting bij groepen die hier mee bezig zijn. De dominante overtuigingen van het postmodernisme en individualisme zitten ons daarbij in de weg. Daarin wordt gesteld dat wat het Goede is, immers ieders eigen zaak is en relatief is omdat er geen absolute waarheden meer zijn. Kenmerkend voor ons ‘moderne’ denken is namelijk dat het onderscheid tussen sterke en zwakke waarden minder makkelijk gemaakt wordt en dat het daardoor moeilijker is mensen aan te spreken op volwassen denken en gedrag (Charles Taylor). Want dat voelt als moralistisch en normerend aan en dit verklaart deels het opkomen van populistische bewegingen. (Sybe Schaap) Ik denk dat we vanuit de hier beschreven vraag naar een volwassen levensvisie of geloof dat gesprek over relativering van waarden niet uit de weg moeten gaan.

5. Voorbij een te kinderlijk geloof.

Een laatste insteek om te omschrijven wat een volwassen geloof zou kunnen zijn, vind ik bij Emmanuel Levinas, een joods denker. Iemand die de shoah overleefde en die zich als filosoof tegelijkertijd in zijn leven zich sterk verbond met de verdieping van het joodse denken door studie van de Tora. Opvallend is dat hij zich sterk verzet tegen een al te letterlijk kinderlijk geloof. Hij citeert uit de rabbijnse wijsheid van de spreuken der vaderen als hij schrijft: ‘Een onwetende kan niet vroom zijn’ . De hang van mensen naar een religiositeit die zich in vrees en beven buigt voor het sacrale ligt voor Levinas dicht bij afgoderij. Tegenover datgene wat hij als een infantilisering van de religie beschouwt, beschrijft hij een ‘godsdienst voor volwassenen’. Als aanhanger van de stroming van de Mitnagdiem legt Levinas sterk de nadruk op redelijkheid en verstand. Dit sluit aan bij het voorgaande. Geloof vraagt om reflectie, anders val je ten prooi aan bijgeloof, loop je de kans valse goden na te lopen, verkeerde leiders te geloven. In het jodendom is religie als eerste ook altijd religiekritiek. De joodse profeten waarschuwen in de bijbel steeds voor de pogingen van mensen om God voor hun karretje en belang te spannen.

Levinas beschrijft een geloofswijze voorbij het letterlijke instrumentele en sterk gericht op relatie, verbinding en rechtvaardigheid. De volgende zinnen kun je alleen maar rustig en denkend lezen wil de ‘volwassen gelovige’ betekenis tot je doordringen. Een diepe en tegelijk praktische religiositeit 2.0. De vrome, dat is de rechtvaardige!

Het recht dat ik mijn naaste doe brengt mij God op een onovertrefbare wijze nabij. Deze nabijheid is even intiem als het gebed en de liturgie, die niets zijn zonder rechtvaardigheid. God kan niets ontvangen uit handen die zich schuldig hebben gemaakt aan geweldpleging. De vrome, – dat is: de rechtvaardige. Gerechtigheid is de term die het jodendom verkiest boven andere termen welke meer een beroep doen op het gevoel. Want ook de liefde vraagt om gerechtigheid en mijn relatie tot de naaste staat niet los van de relaties welke, die naaste me met derden onderhoudt. Ook de derde is mijn naaste. In het feit dat de relatie tot het goddelijke via de relatie tot de mensen verloopt en met de sociale rechtvaardigheid samenvalt, ligt de hele geest van de joodse Bijbel.

Elke tijd, en ook deze, produceert veel meningen, visies en idealen. Net zoals religies en levensbeschouwingen. Voor elk mens geldt dat hij of zij daar een eigen keuze in moet maken. Rondom het thema ‘volwassen geloven’ heb ik een aantal elementen beschreven en ik heb duidelijk willen maken dat reflectie en verdieping nodig is om in die veelheid het kaf van het koren te scheiden. Doe je dat niet dan ben je kwetsbaar voor beïnvloeding, nalopen van valse leraren of het maken van verkeerde levenskeuzes. Uiteindelijk zitten onder alle ideeën en overtuigingen waarden en van sommigen zeggen we dat ze ‘gemeenschappelijk goed’ zijn. Zoals bijvoorbeeld Levinas verwoord: geloven in God gaat alleen via de ander – waarbij de derde ook mijn naaste is – en dat dit omgaan met God samenvalt met sociale rechtvaardigheid.

Jan van Diepen

Gebruikte literatuur.

-Tim Peeters. De Tweede Naïviteit als grondhouding van de post-moderne gelovige. http://www.ethesis.net/naiviteit/naiviteit.htm

-God, Jesus, Trump!  Tijs van den Brink Zie: https://www.npostart.nl/god-jesus-trump/VPWON_1301484

-Andreas Kinneging. De mateloze mens verkeert in een morele crisis. Volkskrant 15 februari 2020

-Charles Taylor Malaise van de moderniteit. Zie: https://filosofiegroepseniahaarlem.wordpress.com/2017/12/10/charles-taylor-malaise-van-de-moderniteit/

-Wikipedia over Paul Riceur. https://nl.wikipedia.org/wiki/Paul_Ric%C5%93ur

-Rob Wijnberg. De post-moderne mens: op de hoogte van alles, verplicht tot niets. De Correspondent.

 -Paul van Tongeren. Nietzsche. AUP2016

-Sybe Schaap. De populistische verleiding. Damon 2017

-Bas Heijne Mens/onmens. Prometheus 2020.

-Emmanuel Levinas. Een godsdienst van volwassenen. In: Het menselijk gelaat. Essays van Emmanuel Levinas. Ambo 1984

-Identiteitsonderzoek KU Leuven en Katholieke Dialoogschool. https://www.kuleuven.be/thomas/page/dialoogschool-identiteitsonderzoek/ en achtergronden: https://www.kuleuven.be/thomas/page/pkg-pcbs/.

-Uitleg Prof. Hutsebaut van vier typologien Prof. Dr. Dirk Hutsebaut PKG Schaal (TRO² 2010-2011)

 -Frits Beelen. De vergeten gelovige. Tragiek van het pastoraat. Tilburg 1993

-James W. Fowler. Stages of faithdevelopment.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s